‘Sjjj,’ zei ik tegen het kuikentje. ‘Je moet stil zijn. Niemand mag je hier horen. Ik loop even naar binnen toe en haal je zo weer op.’
Ik dekte het kuikentje met wat zand af. Ik had het in een kuil verstopt in een grote zandhoop voor mijn huis, zodat niemand ‘m zou vinden. Ongeveer twee uur daarvoor was ik in mijn eentje naar de kinderboerderij gefietst:
‘Mama, ik ga even naar de kinderboerderij!’
‘oké Arthur, 17:00 weer thuis, want dan gaan we eten!’
Ik liep de achterdeur uit naar de schuur, pakte mijn fiets eruit, en liep met fiets en al het hek uit naar de weg. Via de Flamingo reed ik richting de IJssel, langs nieuwbouwhuizen die link en rechts aan me voorbij trokken. Ik kende op dat moment nog geen enkele bewoner, maar zeker de helft van de huizen was bewoond. Twee jaar voor die tijd speelde ik nog op die plek, waar toen allemaal wilgen stonden en heel veel brandnetels. Daarin kon ik perfect hutten bouwen en gangetjes maken, die alleen ik als maker kon vinden! En natuurlijk de vervelende buurkinderen die de hut een dag later vaak alweer sloopten… Maar dan maakte ik daarna gewoon een nieuwe.
Ik fietste richting het Geintje, een Restaurant naast de brug waar ik overheen fietste. De kinderboerderij lag iets verderop langs de IJssel. Ik fietste over het lange pad en parkeerde mijn fiets net naast de ingang van de kinderboerderij.
Door het hek liep ik langs de kippen aan mijn rechtskant en links keek in naar een veld vol met geiten. Ik duwde het eerste hek open van de geiten en deed die weer goed dicht. Regelmatig ontsnapte er een geit door het eerste hek aan hun kant, als het tweede hek dan ook open zou staan zou die geit zo de hele boerderij over kunnen en dat leek niemand een goed idee. Vandaar dat alertheid geboden was bij de hekken. Die dag liepen er geen geiten in het tussenstuk, Ik liep langs het hek aan de kant van de geiten en klom op de boomstam verderop. Daar kon ik zo lekker op lopen, zonder eraf te vallen. En ook die dag liepen enkele geiten met me mee!
Nadat ik even had gekeken en enkele geiten had geaaid liep ik weer terug door de hekken en ging ik even bij de kippen binnen kijken.
‘Hè, wat zie ik nou? Wat is dat nu voor een licht?’
In de ruimte van de kippen stond nu een bak met een grote lichte lamp erboven. Toen ik dichterbij kwam voelde ik de warmte ervan. In de bak zaten enorm veel kleine kippenkuikens. Ohh, wat waren ze lief en donzig en hulpeloos! Ik was gelijk verliefd.
’Zo eentje wil ik ook hebben,’ zei ik rustig tegen mezelf. Ik bleef zeker 15 minuten naar ze kijken. Eén kuikentje bleef telkens een beetje buiten de groep zitten. Ik aaide het voorzichtig en ze bleef gewoon zitten.
Rustig keek ik om me heen. Ik was de enige in de ruimte. Voorzichtig pakte ik het kuikentje beet en ook dat vond ze prima. Ik deed mijn jaszak open en stopte het kuikentje in mijn zak. Ik stond snel op, liep het hok uit en ging door het hek weer naar mijn fiets. Het beestje wiebelde nu wel erg, dus nadat ik een stukje had gefietst stopte ik en dook ik even de bosjes in naast de IJssel. Ik liet het kuiken weer even rustig worden op de grond. Dat ging goed.
Ik voelde me op dat moment ook wel erg schuldig.
Wat heb ik gedaan? dacht ik. Maar het lieve kuikentje en mijn drang om het te willen hebben en verzorgen als een huisdier, won het en ik stopte het kuiken weer in mijn zak.
Toen ik verder naar huis fietste bedacht ik me hoe ik het kuiken stiekem mee naar binnen kon nemen:
Als ik nou eens een plastic bak haal binnen en ik doe ‘m daarin, kan ik ‘m mee naar binnen smokkelen en houd ik het eerst even op mijn eigen kamer. Daarna kan ik voorzichtig vragen of ik een kuiken, wat ik gevonden heb, mag houden.
Ja, dat leek me een goed plan.
Nadat ik thuis was en het kuikentje had afgedekt met wat zand in een grote zandberg, parkeerde ik mijn fiets naast het huis. Het was tijd om de plastic bak op te halen!
‘Hoi mam, ik ben er alweer,’ zei ik toen ik binnen kwam.
‘Zo, zo, jij bent weer snel terug. Was het niet leuk?’
‘Jawel hoor, maar ik ben alleen bij de geitjes geweest en dat was genoeg.’ Ik liep naar boven toe, zocht even naar een bak die groot genoeg was en nam die mee onder mijn jas, die ik nog aan had.
Bij de berg zand zocht ik naar het gat, maar die kon ik niet zo snel meer vinden.
‘Hè, hier was het toch?’ Ik prikte met mijn hand in het zand, maar nergens vond ik het gat, Het duurde zeker nog een minuut voorzichtig voelen en zoeken in de berg met zand toen ik het kuiken voelde. Ik tilde het eruit en…
Ik zag zijn kopje naar beneden hangen, Het kuikentje ademde niet meer.
‘Ohh nee!’ riep ik uit. Ik probeerde ‘m nog schoon te maken en het bekje open te doen, maar het was te laat.
Een rouw gevoel van schuld en schaamte daalde op me neer. Als ik niet zo hebberig geweest was. Als ik niet zo egoïstisch geweest was. Dan had het kuikentje nog geleefd. En nu was het dood. En dat was volledig mijn schuld.
Huilend liep ik met het dode kuiken naar huis.
‘Hij is dood en het is mijn schuld,’ riep ik naar mijn moeder.
‘Oh jee, Arthur, wat is er gebeurd dan?’
Ik legde uit wat ik gedaan had en dat ik zo graag een kuikentje wilde als huisdier die groter zou worden. Ik bleef maar snikken en huilen. Het schuldgevoel werd er niet minder door.
Samen met mijn moeder hebben we het kuikentje toen begraven naast de grote hoop zand, in het gemeenteperkje naast een boom die op de stoep stond. Nog weken lang legde ik telkens nieuwe bloemetjes uit het grasveld neer op de begraafplek.
Nu, ik ben inmiddels de 50 gepasseerd, denk ik nog wel eens terug aan het kuikentje. Het schuldgevoel is er nog steeds niet minder om geworden. Mijn nuchterheid en zelfkennis is gelukkig wel gegroeid. Ik weet dat ik het uit liefde deed, niet uit gemeenheid of pestgedrag. Ik weet dat mijn kinderbrein het toen nog niet kon snappen. Ik heb mezelf erg lang niet leuk en lief gevonden door deze gebeurtenis. Ik begreep niet dat andere mensen mij lief konden vinden.
En ik weet dat we hypocriet zijn. Dat vele kuikens worden geplet om te eindigen als hondenvoer. Dat we gewelddadig met dieren omgaan, om ze daarna op te eten, zonder ze zelf te slachten. Sterker nog, ik denk dat we een stuk minder vlees zouden eten als we zelf ons dier zouden moeten slachten, Toch??
Dus wat maakt dat ene kuiken uit?
Het leerde mij dat de mens, hoe lief bedoeld ook, niet altijd alles uit handen moet nemen om te verzorgen. De natuur kan dat heel goed zelf. Het leerde mij dat ik uit liefde en het willen hebben (macht?) een wezentje onbedoeld had gedood. En dat verantwoordelijkheid voor een ander ook wel eens fout kan gaan. De consequentie was dat ik een wezentje moest begraven, die anders nog onder een lekkere warme lamp had gelegen.
Ik leerde ervan nooit meer een dier op die manier mee te nemen of te willen als huisdier. Ik gruwelde toen een vriend van me eenden wilde afschieten voor de lol. Ik haat het als jonge mensen dieren (of elkaar?) pesten voor een hogere rangorde in de groep. Ik haat het als anderen willen bepalen wat ik moet doen, omdat het goed voor mij zou zijn… hoe goed bedoeld ook. Ongevraagd advies is soms als een bonbon gevuld met stront.
En ook dit verhaal heeft me mede gevormd tot wie ik nu ben. En het kuikentje leeft nog steeds in mijn herinnering. Dat is een stuk langer dan de ene dag die veel andere kuikens gegeven is…
Herken jij dit gedrag van jezelf of je kind? Ik weet nu dat het soms heel natuurlijk is, en echt niet de bedoeling van een kind om een dief te willen zijn. Het enige wat wij (volwassenen) kunnen is het signaleren en aangeven wat wel goed is en wat niet. Niet elk kind snapt dat in 1 keer. En soms is de ervaring ook belangrijk. En de consequentie van je eigen gedrag. Daar leer je als kind denk ik nog meer van, dan een controlerende en sturende volwassene. Maar of je dat kan laten gebeuren hangt natuurlijk ook van die consequentie af. En als het echt niet kan (als 112 nodig is), grijp je natuurlijk in. Dan ben jij even de prefrontale cortex van het kind.

